In de Melkweg in Amsterdam sprak ik tussen Kerst en Oud & Nieuw saxofonist Benjamin Herman over zijn jeugd, improviseren, New Cool Collective en muziek maken met grote namen: ‘Ik dacht dat iedereen die zo kon spelen dood was.’
Wees Funki en je komt nog eens ergens! Deze woorden stonden al boven het interview met trompettist Eric Vloeimans en gitarist Anton Goudsmit - met Benjamin Herman is dit een mooie interviewtrilogie met Nederlandse jazzvogels van een hoog niveau. De saxofonist kennen we vooral van zijn werk met New Cool Collective, zijn vele gast- en televisieoptredens en sinds kort zijn baan bij Radio 6. Al met al maakt hij ruim 25 jaar muziek, maar wat drijft hem nog na al die tijd?
The London Session
Geboren in Londen in 1968 vertrok de dan nog muziekloze Herman in een muzikaal gezin (zijn moeder speelde piano en zijn vader was oud-trombonist) naar Zaandijk. ‘In een klap tussen de stugge Noord-Hollanders,’ vertelt hij zelf, ‘dat was wel moeilijk. Ik was heel vervelend tot ik mijn drumstel kreeg. Mijn zusje was net overleden, en het leek mijn ouders een goed idee om me iets te geven waardoor ik me kon afreageren. Dat was het drumstel.’
Toen hij bij een leraar op school een saxofoon zag, was hij verkocht. Vlak voor zijn dertiende kocht hij het instrument, en ruim vier jaar later speelde hij voor het eerst op North Sea Jazz, al moet dat volgens Herman niet te serieus worden genomen. ‘Ik zat toen in een bandje waar toen een goede zangeres in zat. Het was geen grote doorbraak of zo.’
Na het festival volgde hij het conservatorium, waar hij cum laude afstudeerde. ‘Ik wilde altijd al muzikant worden. Het leek me het leukste dat er is, en dat vind ik nog steeds. Ik was sowieso als puber sociaal niet zo vaardig. Ik ging met vrienden naar de kroeg, en ik zat dan met mijn beugel in de hoek te balen. Maar met optredens had je meteen aanspraak. Ik wist: dit moet ik doen. Het was een wereld van verschil.’
Blue Sky Blond
Als enige Europeaan mocht Herman hierna deelnemen aan het Thelonious Monk Concours, waardoor hij voor het eerst in Amerika terechtkwam. ‘Het is heel goed voor een muzikant om buiten je eigen kringen te komen. Want anders denk je dat je heel wat bent, terwijl dat helemaal niet zo is. Het is het verschil of je nou een waanzinnige band op een plaat hoort, of dat je ze op het podium samen bezig ziet. Dat moet je echt meemaken en ik had niet vaak meegemaakt dat iemand echt de vloer met me aanveegde. Dat gebeurde in Amerika wel. De eerste paar keer was dat echt niet leuk. Ik stond naast Chris Potter, Joshua Redman en Erik Alexander. Die gasten waren allemaal jonger dan ik, maar had nog nooit zoiets gehoord. Ik dacht dat iedereen die zo kon spelen dood was. Ik dacht dat het niet meer bestond.’
Ondanks de tegenslagen in het begin, zegt Herman dat Amerika hem voor een belangrijk gedeelte gevormd heeft, als mens en muzikant. ‘Het was voor mij een soort resetten. Mezelf in perspectief zien; mijn eigen spel. Ik vond het heel leuk. Ik kan het ook elke student aanraden om in het buitenland te gaan studeren.’ Het is de reden dat hij een paar jaar later voor een half jaar terug ging naar de VS om daar goed en intensief te studeren, en de dingen op een rijtje te zetten. ‘Er zijn drie dingen die ik daar geleerd heb. Als eerste merkte ik dat ik sociaal vaardiger was dan ik dacht. Ik merkte dat wanneer ik zelf initiatieven ondernam, dat mensen daar ook enthousiast van werden. Daarnaast bedacht ik me toen ik in New York was dat ik nooit ontdekt zou gaan worden. Dat denken namelijk heleboel muzikanten; dat als ze jong zijn en ze zijn goed genoeg, dat er dan een of andere gast komt en die vraagt ze in een band en dan is het de rest van hun leven op ultieme golven surfen. Maar dat is niet zo. Dat realiseerde ik me daar ook: het gaat niet gebeuren. Ik wist dat ik zelf iets moest doen, omdat ik anders mijn hele leven andermans muziek zou moeten spelen. En ten derde ging mijn spel met sprongen vooruit.’
Deal
In Nederland hoorde Herman naar eigen zeggen tot het juiste clubje (‘het was heel gezellig’), en speelde zo in de loop der jaren op meer dan 100 platen. ‘De eerste professionele klus, dat de telefoon gaat en iemand zegt: kun je langskomen voor een solo? Daar had ik echt heel veel moeite mee in het begin. Het moest twintig keer overnieuw.’ Vervolgens legt hij uit waarom hij niet de man is voor opnames die heel specifiek in een genre moeten passen: ‘Ik vind twee of drie takes veel prettiger. Die vrijheid. Ik heb ook niet echt een stijl; het is meer een combinatie van invloeden. Ik leer in principe elke dag, en van de dingen die ik al geleerd heb, vind ik eigenlijk ook niet dat ik ze heel goed kan.’
Waar zijn bescheidenheid misschien wat overdreven is, is Herman realistisch in het feit dat hij het niveau van enkele van zijn medestudenten bij het Thelonious Monk Concours niet zal evenaren. Zo veel mogelijk goede platen maken; dat is zijn doel. ‘Ik heb net de soundtrack opgenomen voor de nieuwe film van Eddy Terstall, ‘Deal’, maar die heb ik zelf gefinancierd. Het wordt dus ook mijn nieuwe soloplaat. En ik vind het zelf heel mooi klinken, wat we tot nu toe hebben gemaakt.’
Op de vraag of filmcomponist een beroepsveld is waar de saxofonist zich vaker in zou willen begeven, antwoord hij positief, ‘maar wel met een iets groter budget, graag,’ voegt hij er lachend aan toe. De klus kon hij alleen aannemen door er zelf voor te betalen, dus deed hij twee reclameklussen tussendoor. ‘Maar goed, het is waar ik geld voor spaar: om platen te maken.’
18
Een van die platen is ‘18’, het nieuwe album van New Cool Collective, genoemd naar het aantal jaren dat de band al bij elkaar is, ‘omdat we elkaar heel leuk vinden,’ volgens Herman, ‘en omdat we goed muziek kunnen maken. De eerste jaren zijn cruciaal. In het begin was ik alles aan het regelen en zat ik de hele de hele dag aan de telefoon. Het is soms moeilijk met een groep muzikanten; er zijn botsende ego’s, en iedereen krijgt aanbiedingen. Maar we hebben er allemaal wel mee leren leven. En daarom bestaan we zo lang.’
Van ‘18’ is hieronder Marche Funèbre Rocksteady Dirge, naar de compositie van Chopin, te beluisteren. ‘Volgens mij was het Jules Deelder die met het idee kwam. We hebben het toen in de theatertour een tijdje gespeeld en tenslotte opgenomen. Er heerst een grote vrijheid in de band wat het aandragen van ideeën betreft. In de studio proberen we alles, en als het niet werkt, dan werkt het niet. Zo vind ik het ook leuk om te werken. Het is niet van tevoren helemaal gepland en uitgestippeld wat er gedaan wordt. Daar wordt het allemaal zo stijf van, dat vind ik niet fijn.’
Hypochristmastreefuzz
Naast zijn werk met het New Cool Collective, maakt Herman ook onder zijn eigen naam platen. De laatste was ‘Hypochristmastreefuzz’, een samenwerking met improvisatiegigant Misha Mengelberg. ‘Een van de dingen die ik van hem geleerd heb, is dat sommige dingen heel anders kunnen klinken dan dat je het in je eigen hoofd hebt, en dat het dan ook goed is. Het is heel bevrijdend werken, wanneer je niet naar het podium loopt met het idee: het moet zo klinken. Misha kijkt het per dag of per stuk of per minuut: ga ik dit ondersteunen of ga ik er tegenin, of ga ik helemaal niets doen? Zijn rol als muzikant is altijd helemaal open in de muziek. Dat vind ik altijd heel fijn, dat is heel leuk spelen.’ Het album kreeg goede kritieken, tot bij de Village Voice in Amerika, een grote naam in jazzland. ‘We hebben in 2010 getourd in de VS, dat was helemaal te gek. Ik zou graag nog een keer willen, maar je moet geld meenemen. Die optredens zijn niet genoeg om de vliegtickets en hotels van te betalen. Alleen al een werkvergunning om daar te spelen kost al iets van 3500 dollar, en dan heb je niets. Dan mag je er alleen naartoe.’
The Itch
Voorlopig vinden de optredens dus in Nederland plaats, onder andere als presentator van zijn eigen show op Radio 6, elke maandagavond van 19:00 tot 21:00 (luister hier de oude shows). ‘Toen ze me vroegen, dacht ik: te gek, dan heb ik elke week een gig op maandag.’
Alles lijkt dus dik in orde bij Benjamin Herman, die waarschijnlijk platen blijft maken en touren tot hij erbij neervalt (lesgeven doet hij niet, dat vindt hij ‘verschrikkelijk’). Over de toekomst praten doet de saxofonist niet graag. ‘Meestal loopt het daarna toch weer anders.’ Of de ultieme Herman-plaat er in 2012 komt is dus nog de vraag, maar het materiaal waar hij tot nu toe mee kwam, maakt in ieder geval zeer benieuwd. Herman is (zeer) bescheiden, maar weet al die jaren na zijn debuut nog steeds te vlammen met een grote hoeveelheid energie. Hij maakt de platen die hij wil maken, en van het geld van de een betaalt hij de volgende. Zo musiceert hij verder, de toekomst in. Nooit ontdekt, maar het allemaal zelf gedaan.